Gedichten
De kermis trekt al heel lang de aandacht van creatieve mensen. In de vorm van kunst, boeken en ook in dichtvorm. In 2007 verscheen zelfs een heuse gedichtenbundel “Nu weer de kermis gloeit met duizend lichten”, met daarin liefst 80 gedichten over de kermis. Het boekje is nog te vinden in die tweedehands boekenwinkels.
We wilden een kleine bloemlezing niet onthouden en hebben in oude kranten ook nog een aantal echt Tilburgse gedichten teruggevonden, als ook wat meer recentere uit diverse bronnen.
Een van deze gedichten komt van de markante Tilburger Ko de Laat (1969-2024), die zich ook verbonden had aan KermisTV en KermisFM met columns en gedichten.

Plezierige kermis
We zetten na een jaar gezwoeg
het werk acht dagen stop.
De kermispot is leeggehaald,
vooruit, de kermis op!
we willen wel eens van de band,
los van de grauwe sleur,
We duiken in muziek en licht
en oliebollengeur.
De grote mens voelt zich weer kind
loopt met een luchtballon
en zabbert stil genietend,
op een zuursteel zonder bon.
De een beukt op de kop van jut,
als of ’t zijn vijand was;
de ander haalt in ’t schokpaleis
een bont en blauw karkas.
Al raakt lichamelijke rust
zodoende in ’t gedrang,
We gaan straks, geestelijk opgefrist
opnieuw weer aan de gang..
Mamulti
bron: NvhZ 31 juli 1948
Tilburgse kermis
Het is weer kermis en als ieder jaar
branden er duizend lichte lampionnen;
er zijn weer wafels, rose luchtballonnen;
het is weer kermis net als ieder jaar.
De dikste vrouwen van het continent
zitten als steeds verwaand en lui te breien;
zij tonen nu en dan hun blote dijen
en ginds, alleen, lalt weer een dronken vent.
Tussen de damp van vette oliebollen
eet, stil-verrukt, een kind een suikerkoek
en bij de grote draaimolen op de hoek
staan kreupelen, die met hun ogen rollen …
Maar ’s avonds, toen ik iets bijzonders wachtte,
was God, de grote spullenbaas plots daar,
Die heim’lijk met Zijn kleine mensen lachte …
Het is weer kermis, zoals elk ander jaar …
Pierre Bogaers (1924-2015)
uit: Bitonaal (1952)
Ode aan de Tilburgse Kermis in 1927
Nog maar ettelijke uren
Scheiden ons van ’t groot festijn,
Straks begint de lol-vijfdaagsche
Straks zal het weer kermis zijn.
Op den Heuvel, in den Besterd,
Op het Pius-, Willemsplein,
Staan ze weer de vreugd-paleizen,
Tegengriffen van chagrijn.
Nou niet van malaise praten,
Thans geen slechte-tijd-gezeur,
Stap de kennis op, geniet er
Van den oliebollengeur.
Laat je dubbeltjes eens rollen,
Heusch,ze zijn voor niets niet rond.
En een matig kennis houen
is gezellig en …gezond
Aanstonds dreunt en davert Tilburg
Neer van uitgelaten lol;
Zelfs de kalmste van de kalmen
Lijkt in deze dagen “dol”.
‘k gun u allen deze dagen heel veel piet.
Maar; weest matig, gulzigneid is
Weerzinwekkend en on-net.
Harry
Bron: NvhZ 31 AUGUSTUS 1927.
Vrijetijdsvers
’t Is deze week weer kermis in mijn stad
Ach, ongeacht welk nieuws ons overrompelt
Vergeef mij dat dit feest mij onderdompelt
En dat ik heel wat headlines niet omvat
Laat mij nog even op de kermis dolen
Straks wacht mij weer de échte mallemolen
Ko de Laat
bron: gedichten.nl
Maandag met een roze gloed
Tante Lien en Sue Matrasse
Gaan naar Roze Maandag toe
Eerst de trein in eerste klasse
Lien tracteert op thee frou-frou
Sue die boa’s zit te passen
Krijgt er kriebel van: ‘hatsjoe!’
‘Gezondheid Sue,’ zegt Lien en epileert
Nog vlug een haartje dat haar niet charmeert
Op de kermis aangekomen
Paraderen zij eerst rond
Kijken wat aan chromosomen
Er de weg naar Tilburg vond
Welkom, schatjes van mijn dromen’
Kirt Lien met getuite mond
Matrasse schudt haar bud beminnelijk
Hier spreekt het lijf, maar ook het innerlijk
Chicks en pigs en bunny’s lopen
Tussen kinky toy-boys door
Sue’s mond valt van goesting open
Als ze Wilbert ziet, ze is smoor
Gaat voor hem een leksteel kopen
Houdt hem die veelzeggend voor
En Wilbert likt eraan de ogen dicht
Een roze gloed vloeit over zijn gezicht
Lien, teveel cocktails gedronken
Voelt een aandrang als een wee
Ze begint rondom te lonken
Naar het opschriftje WC
Later staat ze tussen dronken
Kerels in een séparée
Brult iemand, ‘er staat HEREN op dat bord’
Zegt Lien, ‘gek dat jij toegelaten wordt’
Sue Matrasse en tante Lientje
Gaan de dag lang uit de bol
Oliebollen voor een tientje
In het spookhuis met een snol
En tot slot met een lief vriendje
Naar het smachtend liefdeshol
Daar blijkt die nymfomanisch van zijn aard:
Op Roze Maandag word je niets bespaard.
Jace van de Ven, juli 2019 via brabantcultureel.nl
Kermis
In elke stad hoe groot of klein
En op het platteland
Komt eens in ’t jaar het kermisfeest
Voor iedere beurs en stand.
Dan is het feest voor iedereen,
Gaan alle zaken dicht;
Dan doe je aan je beste pak
En zet je een blij gezicht.
De zorgen zet je uit je hoofd,
De zaken gaan aan kant;
Dan denk je niet aan crisiswee,
Maar wordt je kermisklant.
Dan is er feest voor allemaal,
Voor alles wat maar leeft;
Voor ieder die maar enigszins
Verstand van kermis heeft.
Je raakt in d’oliebollenroes
En smult van kraampjeszuur;
Dan blijf je in het feestgeraas
Tot ’t late avonduur.
Gerookte paling eet je dan
Op straat en uit de hand,
Want voor die eene keer in ’t jaar
Staat dat niet nonchalant.
Dan draai je ook eens in de de “stoom”,
Ontrol je een serpetien
Naar meisjes die je aardig vindt
(Maar nooit je willen zien).
Je hamert op de kop van Jut
En zingt de deuntjes mee ;
Je host en schreeuwt uit volle borst;
’t is kermis adijée.
Dan gaan de beenen van de vloer
En dans je lustig rond;
Herleef je ook van binnen weer
En blijf je dus gezond.
Muziek uit trekharmonica’s
uit orgels en zoo meer
Hoe valsch het soms ook klinken mag
Het doet je dan geen zeer.
Den vreemdeling lijkt kermis hier
Wat onbeschaaft misschien,
Maar heeft dan slechts de”buitenkant”
Van ’t Brabantsch hart gezien.
Want kermis is ‘t maar éene keer,
Maar eene keer in ’t jaar,
En dan herleeft hier ieders hart
En springt hier elke snaar.
Anoniem/Onbekend
Bron: N.T.C. 1 september 1932.
Kermis (1)
ès bij ons ins in‘t jaor wer de kermis kùmt stòn en de jong véijne door d’r vertier
mé botsauto’s, skommels, sirenes die gòn, gú’t gelijk mé mekaar òn de zwier
de mallemeule dréijt mé de kéijnder in ‘t rond en ‘n moeder zwaait gruts nò d’r jong
tot de bèl gú en de mallemeule heel efkes stil stú, mar gauwèchtig drèijt ie wer òn
In de schiettent stòn lummels die mé ‘n geweer blijve skiete tot d’re leste cent
de meide die giebele en kéijke wel mee, mar zijn zuinig op d’r traktement
d’n ùrgel die speult alsmar liedjes van toen en ‘n oma die zingt zuutjes mee
unnen mens hì ‘n glas bier en hì hoope plezier mé ‘t volk dè-t-ie vendt in ‘t café
Op de snoepkraom vol noga en stokke kaneel stú ‘n groot bord mé Montelimar
d’n ijscoman zingt en z’n bèlleke dè klinkt en lokt kéinder nò z’n ijscokar
Duur lozzies van goud mé diamante d’rop drèije rond op ‘n spiegelend plateau
Unnen dèftigen heer wint ‘ne goudgeelen beer en duu die òn ‘n kiendje cadeau
In de oliebollekraom stú ’n vriendelijk mens en die ruurt en die bakt alles be’n
oliebolle mé krinten en appelbeignets, unne mens kan nie blijer mer zen
of toch, in de danstent, ge weet nog wel toen, mag ik deze dans asjeblieft
‘t orkest dè zet in en vanaf ’t begin waarde toendertijd mee smoorverliefd
Tekst & Muziek Ad & Willem de Laat
Dit lied staat op de cd ‘Wor weinig heel veul is’ (postuum verschenen);
De tekst is ook te vinden in het boek ter nagedachtenis aan Ad de Laat: ‘Zanger van ’t Zuiden’.
Kermisopbouw, vroeger
‘t Mooiste van de kermis was :
het ópbouwen gaan bekijken.
Er in , was meer voor de rijken,
maar dit zien, dat hád je vast!
Na de school direct naar huis,
en dan naar Den Heuvel draven.
“Bij Riche zijn ze ’n sleuf aan ‘t graven,
voor die kabels, door ’n buis!”
Kijk die mannen eens staan zweten
ginder. O, de carrousel,
dáar ‘s die paal voor.Kijk, de bel!
En dáar is’t straks paling eten.
Botsautootjes op ’t trottoir!
Ginds gaan ze een mast optrekken.
Daarzo: die meccano-rekken
gaan met bouten aan mekaar.
’n Schiettent-plaat , kijk, blote vrouwen!
Treintjes? van de Dodenrit!
Wat er in die kisten zit?
Alleen takels maar, en touwen.
En wat staat daar op die truck?
Ohh, een hele kast geweren!
Mocht je die maar ‘n tijd proberen!
Nou is ’t maar alleen geluk.
En die kromme plaat mee gaten?
Oh,die’s van de Steile Wand!
En die wielkast daar, in ’t zand,
wordt zo maar alleen gelaten!
Kijk, dáar komt de Rups dit jaar,
met die groene dichtklapvellen.
Die is voor verliefde stellen:
d’ronder zoenen die mekaar.
En die stapel rooie wanden,
zal de Waarzegster wel zijn.
Die zat eerst op ’t Besterdplein:
ze had ammel gouwe tanden!
En wat zijn die lange stangen?
Voor de botsautoos zijn die!
Nee suffie, natuurlijk nie:
schómmels komen daar aan te hangen.
‘T wordt goei weer, als ’t kermis is.
Waar kunnen w’ ergens geld verdienen?
In de Willem-II-kantine?
Ja, wanneer die open is!
Misschien is hier nog wel werk.
“Hee meneer, kunnen we helpen?”
Wáarnaartoe? O, naar de welpen?
Spéulen? Toe nou, wij zijn sterk!
Tjee, d’r moet nog veel gebeuren
Morgen moet ’t ammel staan!
Die zullen láat naar bed toe gaan!
Laten wij maar nie meer zeuren.
Och, mijn tas staat bij jou thuis,
die ben ik daarstraks vergeten.
Oei, ‘k ben te laat voor ’t eten,
en ‘k heb honger! Kom, naar huis!
Ed Dalderop
Ter gelegenheid van Tilburgse Kermis 2001
Kermis (2)
’t Wereldje is ’n kermisplein,
vol lawaai en veuls te klein!
Kop-van-jutte, karoeselle,
Zotte wassenbeelde-spelle,
Olliebolle mee den hoop,
Flesse zuut en zuur te koop!
Dolle mallemeulens zijn d’r
Veur de groote en kleine kender:
Tingeltangels, in de wèr
Mee d’r doedelzaks geblèr;
Rodelbaon en botsautokes,
Vrijerijkes mee cadeaukes;
Zot-doen, zat-doen, daanse, springe,
Geldvergooie, vechte, zinge…
’t Wereldje is ’n kermisplein,
vol lawaai en veuls te klein!
Piet Heerkens
Uit: De Mus; Tilburg, z.d.
Kermis (3)
Bij de ingang staat een grabbel-
ton vol dagboeksnippers. Graaien
voor een stuiver naar een attractie.
Zoals de spooktent waar behaarde
trauma’s vloeken en tieren.
Het reuzenrad kerft luchtkastelen.
In het spiegelhuis doolt duizend-
maal ik, de enige ware tovert
de waarzegster in haar derde oog.
Het is kermis in mijn stad
en ik verkoop de kaartjes.
Cees van Raak
Uit: Literaire wandelroute Tilburg; 1996
De kermis
Gif men mar de kermis,
vol leut en plezier.
Ik beêt al te hostig,
in ’n schuimend glas bier.
Op ’n schubbeke haol ik,
net op teêd, nog de start,
van al ’t gekaokel,
op ’t plein van m’n hart.
Gif men mar de kermis,
’n kiendje de kraait.
Dè opt houten pèrdje,
nor z’n moederke zwaait.
Wè is er nog schonder,
dan örgelmuziek?
Of ’t kirrend gemonkel
van ’t keêkend publiek?
Gif mèn mar de kermis,
zon gesuikerde spin,
daansend op ’n stökske,
dan bètter toch in.
’n Worzegster zit er,
in rooi, dik fluweêl.
Daor kreêgde vur ‘ne gulden,
van de worheid oew deêl.
Gif mèn mar de kermis,
Bont spektaokel op ’t plein,
’t Hee z’n bekoring,
vur de groôt en de klein.
De lucht van d’n ollie,
van de polling en friet.
Die ruukte al, vur ge
d’n draaimeulen ziet.
Wim van Boxtel
Uit: Brabants Bont; Tilburg 1979
Tilburgse kermis anno 1950
mijn oma woonde op het Piusplein
met de kermis voor de deur.
als het zover was, mocht je er een
nachtje slapen.
en je zat dan met een fraaie rode
kleur achter de vensterruit te
gapen.
je at die avond oliebollen en je
sliep in oma’s grote bed.
de volgende morgen al heel vroeg
bedelde je om een dubbeltje voor
de mallemolen tegenover;
een hele oude, waar je aan een
flos kon trekken.
tegen het middaguur was het
helaas vertrekken met een jurk
vol vette vlekken.
en je dacht aan het reuzenrad
in het donker, aan de lichtjes
aan ’t geflonker, aan de oliebollen
en de pret;
volgend jaar mocht je weer
slapen in oma’s grote bed!
A.M. Doomernik-Hurkmans
Uit: Mèn Tilburg; Tilburg 1979
Kermis haauwe
Ons Jantje maauwt om olliebolle
Ons Mietje om ’n suikerspin
Ons Wies die vraogt gerukte paoling
Ieder wil z’nen ège zin.
Vur ons opoe nog ’n pèkske noga
‘ne Kenèèlsteel vur ons Trees
Ons Tóóntje jengelt om ‘nen bukkum
En nog ‘nen ijsco vur ‘ze Kees.
Zó gao’get mee de Kermisdaoge
Zèdde mee hil de streup op pad
Dan is in de kortste keere
Oew knip wir pannekoeke-plat.
Dan krèèg ik van ons Sjaan twee knaake
Alléén vur m’nen ège kop
Die pruuf ik in’t kefee op’t huukske
Héél op staoikes lekker op.
LECHIM
Krantenknipsel, onbekend
Feniks
Het zomert… De Tilburgse kermis is er weer!
De stad ligt opgebaard met bonte linten van geluid en geuren.
Je bent herrezen uit de as van vorig jaar. Millennia.
Ik heb alleen op jou gewacht…
Ontlading! Inerte clusters moleculen stromen weg…
Enzymen, vetten, koolhydraten: nostalgie, verloren tijd.
De kermis opent pas als massa zich ontsluit.
Niet enkel zwaartekracht, genot of normen. Cyclus!
De zijderoute van verlangen laakt een einde en begin.
Het leven wordt weer helder en chaotisch. Her te scheppen.
Onooglijk korte rokken, lange benen, ranke lijven. Oogcontact.
“De oorsprong van de soorten”: evolutieleer.
Je bent als alles in dit leven. Carrousel.
Verwachting, duisternis, doorzichtigheid en leegte. Hoop!
Vacante pleisterplaatsen worden opgevuld.
Je bent het spiegelhuis van dromen.
Maar even weer aanwezig. Meestentijds vertrokken.
Nomade. Wederkerigheidsbegrip. Een Feniks.
Je bent het feest van weer een nieuw begin.
Ik heb alleen op jou gewacht…
Marcel van Beurden, 2003
Kerremus
’t Komt ieder jaor steeds wir aon
Deh gezellig brùisend volksfist
Meensen zie duh ùitgelaoten d’n hort op gaon
En de kender genieten nog ’t mist
Verschaaiene dùrpkes zèn al veurgegaon
Weh in krùikestad nog moes gebeuren
Ge zaag’r draaimeulens en pèrdjes staon
En kròmpkes, waor ze meej pòlling leuren
Ik gin naor Gòol, ik ging naor Beek
Vur unne piek was ik steeds klaor
Ik draaide, deeh unne gok en keek
Soms betòlde ik unne dòlder; gin bezwaor
Nò de dùrpkes komt dan krùikestad
De gròotste kerremus van ’t laand
Jierop gòn hil weh krùiken prat
Mar ’t lòopt weh ùt de haand
’t Is vuste gròot en vuste druk
D’n afstaand is zò vuste wèd
En dur de staonprèzen òn geminte
Ben duh hil weh knaake kwèt
Reserves van geminte stèègen
Gezellighèt raoken we kwèt
Laot de kerremus dùrpse allures krèègen
Aonzien en gròot geld te spèt.
Leo de Beer
Uit de bundel Krèùkepraot